zaterdag 19 maart 2011

Uw vriendelijkheid zij alle mensen bekend


Er is iets moois geschied. Uw dienaar is door een agent op de bon geslingerd. Dat is nu niet zo mooi, hoor ik u denken? Toch wel, ik heb er namelijk een Heel Goed Gevoel aan overgehouden. Dat wilt u zien uitgelegd.

Al jarenlang fiets ik over een stukje wandelgebied het laatste eindje naar de Albert Heijn in het centrum van onze woonplaats Ede. Dit omdat ik mijzelf verbeeld daar niemand mee lastig te vallen én omdat nu juist dat kleine stukje van zo'n honderd meter een hellinkje is; het gaat zo lekker van roetsj naar beneden op die plek - voor ik het weet sta ik al bijna met fiets en al in de winkel! Zoiets gaat honderden keren goed, maar het is natuurlijk de goden verzoeken. Die incarneerden deze dag in de onverwachte gedaante van gedienstige bonnenschrijvers, wat mij een niet geringe crisis in de godenwereld deed vermoeden. Vandaar misschien ook dat het nu zo slecht gaat met Griekenland.

Terwijl ik dit keer met enige haast naar beneden reed en daarom even niet oplette of ergens onderaan een blauwe pet stond te wachten op vers prooi, hoorde ik links me iemand zachtjes waarschuwen: 'Afstappen, afstappen....'
Te laat - de lange arm der wet had mij al had zien aankomen en bereidde ongetwijfeld een passende vermaning voor. Rustig blijven, zei ik tegen mijzelf terwijl ik onafwendbaar de fuik binnenfietste. Op het gebied van het aanhoren van vermaningen had ik per slot van rekening al een eerbiedwaardige staat van dienst opgebouwd, dus deze kon er ook nog wel bij. Maar in mijn achterhoofd (zou dáár mijn geweten zitten?) ronkte een stem: ‘Je bent er gloeiend bij, jongen!’ Maximale zelfverzekerdheid veinzend stalde ik mijn boodschappenfiets voor de winkel en hoorde ik de stem van de diender al achter mij:

"Meneer, u fietste in het voetgangersgebied. Mag ik vragen waarom u dat deed?"
Enigszins tot mijn verbazing constateerde ik zelfs geen zweem van gezag in zijn stem. Eerder verlegenheid. Dat zelfopgelegde gezagsvacuüm werd nog groter in de rest van zijn betoog en kreeg een licht absurd trekje toen hij zich, met spijt in de stem, verontschuldigde mij wel te moeten bekeuren. “Anders zou het niet eerlijk zijn, omdat die mevrouw dáár nu ook een bekeuring krijgt."
Hierbij wees hij naar mijn lotgenote even verderop die inderdaad met een blik vol genoegdoening mijn kant op keek. Gedeelde smart is halve smart.

Juist nu werd het de hoogste tijd om mijn goede inborst te tonen en te etaleren waar een man van gewicht allemaal toe in staat is, als hij wordt aangesproken op zijn betere ik. Ahum. Daarom verzekerde ik de ambtsdrager (die overigens een jonge nazaat van Ismaël bleek te zijn) dat ik de bekeuring volkomen terecht zou ontvangen, daar ik willens en wetens de wet overtrad en dat daarom de straf die nu over mij werd uitgesproken mij rechtmatig toekwam. Een jarenlange oefenpraktijk in de kerk in het meebidden en uitspreken van de schuldbelijdenis zou nu zonder twijfel zijn vrome vruchten gaan afwerpen. Meende ik. Hoe anders bleek de rauwe werkelijkheid. In tegenstelling tot de gehoopte absolutie was de enige geestelijke vrucht die mijn mea culpa afwierp een iets minder zenuwachtige agent. Mijn boete doen zou domweg gaan resulteren in een boete betalen. Niet alleen mijn portemonnee maar ook mijn betere ik kreeg een knauw. De aanstaande penitentie van enige tientjes hielp mijn louteringsproces weliswaar enigszins (geforceerd) op gang, maar de straf van de zonden drukte zwaarder op mij dan de zonde zelf. Ik voelde me voornamelijk nogal te kijk staan, daar voor de ingang van de supermarkt. Zo bleek mijn betere ik eens te meer voornamelijk te bestaan uit mijn grote ego.


De goede man vroeg mij nu naar mijn identiteitsbewijs welke ik hem minzaam overhandigde in de veronderstelling dat hij slechts wilde weten of ik ook administratief echt bestond en mij het pasje daarna direct weer zou teruggeven. Maar dat duurde even. Het duurde even behoorlijk lang. De nijvere diender bleek mijn N.A.W.-gegevens over te nemen op het proces verbaal, maar kwam daar niet helemaal alleen uit. Hoe of ik heette. En wat mijn voornaam was. Het stond weliswaar allemaal zwart op wit op mijn ID, maar toch. Nadat hij met enige moeite mijn gehele achternaam had genoteerd kwam hij bij het volgende lemma op het proces-verbaal. Voorvoegsel. Die hobbel bleek te groot: nadat hij het woordje 'der' had genoteerd sloeg de twijfel toe. Prompt won de onderwijzer en weldoener in mij het van mijn slachtofferrol, welke wegens het bovenstaande overigens nog niet helemaal tot volle wasdom was gekomen. "U moet dáár 'Van der' zetten, want dat zijn voorvoegsels," hielp ik hem behulpzaam op weg, waarna ik op bijna vaderlijke toon informeerde: "U doet dit werk zeker nog niet zo lang?"

Dat brak het dunne laagje ijs dat tussen ons nog restte. De man begon merkbaar opgelucht te vertellen dat dit zijn tweede dag op straat was en dat het allemaal nog niet meeviel omdat hij dit nare bekeuringswerk ook liever niet deed. Nu pas ontdekte ik dat hier geen agent der politie stond, maar een stadswacht of een dorpse variant daarvan. Niettemin suste ik zijn opspelende geweten nogmaals door opnieuw te onderstrepen dat ik zijn prent geheel aan mijzelf had te danken en dat hij zijn rechtvaardige zaak kon voortzetten. Mijn zalvende woorden waren een zichtbare verlichting zijner gemoed en hij hervatte met hernieuwd elan zijn zware taak. Bij 'Adres betrokkene/verdachte' aangekomen stokte de zaak echter weer en liepen wij noodgedwongen letter voor letter samen de laan door waar ik sinds jaren woon (‘Schrijf je laan met één of twee a's?’ – hij vroeg het echt) om aan het einde ervan bij 'nummer' aan te komen. Daar lukte het voorwaar weer om op eigen kracht verder te gaan.

Toen hij uiteindelijk zijn bezwaarlijke administratieve plicht had afgerond vroeg mijn debuterende verbalist - mij daarbij bezwerend dat ik niet verplicht was een antwoord te formuleren -  naar de reden van mijn wetsverachting. Dat nu was een kolfje naar mijn hand. Maar was ik luttele minuten daarvoor nog van plan hierbij een vlammend betoog af te steken, waarin vooral mijn gelijk de overhand zou krijgen, mijn haan koning zou kraaien en de ondraaglijke zinloosheid van de acties van deze ambtenarij scherp zou afsteken bij mijn goede inborst, nu was ik vooral geraakt door zijn aandoenlijk geschutter en wist ik mij mede daardoor in de ondergeschikte rol te persen. Bovendien moet zelfs een heer van stand zijn plaats weten tegenover het wettelijke gezag, want noblesse oblige. Ik sprak slechts een enkel woord. Desondanks kwam dat woord slechts met grote moeite over mijn lippen. Het voelde alsof ik daarmee niets minder dan mijn eigen oordeel uitsprak: "Gemakzucht," antwoordde ik gelaten. Ondanks dat naast het eerder genoemde 'voorvoegsel' ook dit een nieuw Nederlands woord was voor mijn sympathieke Arabische wetsbetrachter wist hij het zonder verdere averij op papier te krijgen, waarvoor ik hem nog kort complimenteerde.


Daarmee was onze rendez-vous ten einde. Hij dankte mij nog hartelijk voor mijn verregaande en prettige medewerking en wenste me nog een fijne dag verder, en ook ik bleef tot het einde een en al voorkomendheid en hoffelijkheid. Zo gingen wij als lotgenoten, nee als vrienden ieder ons weegs.

De prent in kwestie zal mij binnenkort veertig euro gaan kosten, maar was het elke cent waard. Het is immers zaliger te geven dan te ontvangen

3 opmerkingen:

Greet zei

Mooi, gedrag een Heer van Stand en christen waardig. Ik hoop echter niet dat je je goede vriend gezegd hebt dat hij een 's' tussen gemak en zucht moet schrijven want die hoort daar niet. Wel in bijv. gemaksvoedsel.

Bram zei

De vermaningen van Paulus uit het 13e hoofdstuk uit de brief aan de Romeinen indachtig, had ik niet anders van je verwacht.

Judith zei

ach en je hebt ook weer een leuk verhaal voor je blog ook al is t een duur stukje geworden dan...hoop dat de bekeuring lang op zich laat wachten.