Goedemorgen gemeente,
Ik houd mijn preekbeurt vanmorgen over de Bijbel.
De Bijbel is een heel oud en dik boek.
Maar eigenlijk zijn het wel 66 boeken bij elkaar. Dat vond ik wel veel, maar het klopt wel.
De Bijbel heeft twee delen.
Het eerste deel heet het oude testament en het nieuwe, ik bedoel het tweede heet het nieuwe testament.
De Bijbel is het meest verkochte boek ter wereld.
Dus dat zegt wel wat.
Het is in een heleboel talen vertaald, maar ik weet niet precies hoeveel precies.
In alle kerken ligt het boek voorin op de preekstoel of bij de katholieken (als je geluk hebt) op hun altaar.
Ik zal het even omhoog houden zodat iedereen het goed kan zien.
(Hier laat ik de Bijbel omhoog laten zien)
Het eerste boek van de Bijbel heet Genesis. Daarin staat het begin van de wereld opgeschreven, dat was de schepping.
Adam en Eva waren de eerste mensen. Wie de laatste mensen zijn weten we nog niet.
Maar over het einde van de wereld staan ook best wel mooie dingen geschreven in de Bijbel. Best heel anders dan in de film 2012.
Die staan in het einde van de Bijbel:
Open
Baringen
van
Johannes.
Adam en Eva zijn bekend van het paradijs (dat was een soort Centre Parks) waar ze bleven wonen totdat er een sprekende appel kwam en een slang die er héél lekker uitzag en die ze ging verleiden om een vijgenblad te dragen.
En ik was nog bijna vergeten te zeggen dat het verhaal van Mozes in de ark er ook instaat. En nog wel veel meer ook. Zoals Noach in de wallevis. En de toren van Abel. En David met zijn harpoen.
Maar ik hoefde maar één A-viertje, dus…
Dit was mijn spreekbeurt. Zijn er nog vragen of tips?
######################################
Ik weet niet hoe we er op kwamen, maar eergisteren aan de eettafel werden we wat melig en deden een aantal cliché spreekbeurten na op de basisschool. U weet wel, van die standaardwerken over ‘mijn hamster’
(“ik hou mijn spreekbeurt over hamsters omdat ik zelf ook een hamster ben”) (eh…heb),
of over ‘de dolfijn’
(“ik hou mijn spreekbeurt over de dolfijn want die zijn altijd blij”),
of over paarden
(“ik hou mijn spreekbeurt over paarden omdat ik zelf ook nogal over het paard getild ben”) (eh… ook een paard heb).
Onze voorbeelden stapelden zich op, nee buitelden over elkaar heen. En ja, dan worden we algauw ontzettend vroom. Of heet dat toch anders? Zoals: durfden we een gezonde spot te etaleren jegens het klerikale.
Maar wees niet bang: vandaag is het zondag en vanmorgen zaten we weer braaf in vreze en beven te wachten op de preek die ons in de kerk boven het hoofd hing. Daar zaten we dan met een boek vol zilverwerk. Net zoals Kortjakje (zie dit blogbericht) ja, maar dan toch wel een beetje anders.
Tot slot nog een leuke cartoon over een schoolspreekbeurt, die weliswaar niet op het bovenstaande slaat, maar wel erg grappig is…
zondag 28 februari 2010
zaterdag 27 februari 2010
De Lansbreker
Omdat ik soms volslagen lyrisch kan worden van mooie boeken en prachtige muziek (met dito teksten) begin ik een nieuwe rubriek in mijn blog: De Lansbreker, waarin ik, hoe kan het ook anders, bij u een lans wil breken voor deze juweeltjes. Vandaag is de volslagen onbekende T-Bone Burnett aan de beurt. Ik eet mijn hoed op als u hem wel kent. Over die hoed trouwens straks nog meer. Even een korte introductie. T-Bone Burnett begon zijn muzikale loopbaan in de jaren zeventig waarin hij met zijn Alpha Band een drietal fraaie elpees maakte, die echter geen deuk in een bakje boter konden slaan. Niemand luisterde. In 1975 vroeg niemand minder dan Bob Dylan T-Bone Burnett of hij wilde meedoen met zijn tour: The Rolling Thunder Revue. Dat was een bont gelegenheidsgezelschap waarin o.a. Joan Baez, Roger McGuinn (ex-The Byrds) en vele andere bekende musici meespeelden. We spreken over de tijd van de veel verkochte elpee Desire met de would be hit Hurricane. Van die hele tournee is een vier uur durende cultfilm gemaakt, maar dit is alleen voor diehard-fans zoals ik interessant. T-Bone Burnett was op dat moment al christen en het verhaal gaat dat hij Dylan voor het eerst in aanraking bracht met het evangelie. Enige jaren later kwam Dylan daadwerkelijk tot geloof in Christus en bracht een trits pure gospelelpees uit, waarna hij tot op heden wel gelovig bleef maar dit niet meer expliciet op de plaat zette.
T-Bone Burnett bracht met enige regelmaat elpees en cd's uit onder zijn eigen naam, maar is vooral bekend geworden als producer van de soundtrack van de verrukkelijke film 'O brother, where art thou', die terecht werd overladen met Grammy's en hoge verkoopcijfers scoorde. Verder produceerde Burnett een paar jaar terug de prachtcd Raising Sand van het onwaarschijnlijke duo Robert Plant (de gillende zanger van de hardrockband Led Zeppelin) en Allison Krauss (de frêle bluegrass en country zangeres).
Maar waar het hier en nu om gaat is de prachtige titelsong van een cd uit 1992:
The criminal under my own hat. Die song rekent af met een zelfgenoegzaam christendom omdat de schrijver niemand veroordeelt, behalve zichzelf. Waarachtige tekst op een passend schurende muzikale begeleiding. Top. En voor degenen die het Engels niet machtig zijn heb ik T-Bone's tekst zo goed mogelijk vertaald.
The criminal under my own hat
I’ve seen a lot of criminals
I’ve seen a lot of crime
Doing a lot of evil deeds
Doing a lot of time
We speak of these men as aliens
From some forbidden race
We speak of these men as animals
We will lock in a cage
But there’s one man I must arrest
I must interrogate
One man that I must make confess
Then rehabilitate
There is no other I can blame
No other I can judge
No other I can cast in shame
Then require blood
I see him in the shadows down the hall
I see him in the plaster on the wall
There is no crime he cannot commit
No murder to complex
His heart is filled with larceny
And violence and sex
His heart is filled with envy
And revenge and greed
His heart is filled with nothing
His heart is filled with need
He’s capable of anything
Of any vicious act
This criminal is dangerous
The criminal under my own hat
Nederlandse vertaling:
De schurk onder mijn eigen hoed
Ik heb veel criminelen gezien
en ook een boel misdaad.
Ik zag hun vele slechte zaken
en hun overdosis kwaad.
We spreken over ze alsof
ze behoren tot een verboden ras.
We spreken over ze als beesten
die horen achter tralies en glas.
Maar is er slechts één die ik
moet vervolgen met arrest en verhoor.
Eén man die zal moeten bekennen
voor al wat ging teloor.
Er is geen ander te beschuldigen
of te veroordelen.
Geen ander om in schaamte te hullen
of van vrijheid te bestelen.
Ik zie hem in de schaduw op de muur…
Ik zie hem in de vlammen van het vuur…
Er is geen kwaad wat hij niet kent,
geen moord is te complex.
Zijn hart is vol van hebzucht
en haat, geweld en seks.
Zijn hart is gevuld met afgunst,
met vuil en wraak en dood.
Zijn hart is vol met leegte,
zijn hart is vol van nood.
Hij is tot alle kwaad in staat,
aan beide handen kleeft bloed.
Een gevaar voor iedereen:
de schurk onder mijn eigen hoed.
dinsdag 23 februari 2010
COLUMN DRIE: DE VERKLEURDE KERK
DE VERKLEURDE KERK
(of de mythe van de veelkleurigheid)
Ze hadden nog zó hun best gedaan…
Blauw moest de kerk worden. Blauw was immers de kleur van de hemel, en hemelwaarts moest het gaan. Alle schakeringen waren aanwezig, van streng donkerblauw tot licht pastelblauw waarin het blauw bijna was opgegaan in wit. De Nieuw Blauwe Verbondskerk had, na een roerige geschiedenis - dat wel, haar naam gevestigd tussen de andere kleuren.
Eén van die andere kleuren was de Hersteld Groene Geloofskerk die uitging van de kleur die frisheid en jeugdigheid uitstraalde. Groen was ook de kleur van de eeuwige vernieuwing en van de natuur, dus groen moest de kerk zijn! Alle schakeringen waren in haar aanwezig, behalve gifgroen dan.
De Vroom Rood Katholieke Kerk dacht heel anders over kleur. Zij vond dat rood de kleur was van de liefde, en liefde was de missie van de kerk. Alle schakeringen rood waren volop aanwezig in de laagdrempelige Rode Kerk, van vuurrood tot zachtroze, iedereen die ook maar enigszins rood van kleur was kon in haar terecht.
Geel is de kleur van de zon. De zon die warmte geeft in het leven. Zodoende was de zon het beeld van de Zoon en daarom was geel de kleur van de kerk. Tenminste, die van de Volle Goudgele Zendingskerk. Geel gaf ook iets vrolijks aan het geheel en dat maakte deze kerk voor veel mensen erg aantrekkelijk. Zware kleuren, daar hielden de Gelen niet van. Van knalgeel tot gebroken wit was echter van harte welkom.
Zo waren er tal van kleuren die hun eigen karakter lieten zien en daar sprekend voor uitkwamen.
Was er sprake van onderlinge jaloersheid onder deze gekleurde kerken? Gelukkig niet. Bijna iedereen gunde de ander zijn eigen plek in het bonte palet dat de veelkleurige kerken gescheiden vormden. Elke gelovige kon zelf kiezen waar hij bij wilde horen, of het nu de Zwaar Zwarte Zondagskerk, de Pimpelpaarse Pinkster Parochie of de Licht Lila Liturgiekerk was. Men wist wel dat in de eerste tijd van de kerk alle kleuren gezamenlijk optrokken maar dit bleek al gauw geen haalbare kaart. Daarom was het maar beter zo. De veelkleurigheid van de kerk kon beleefd worden op een wijze waarbij men elkaar niet in het verfwater zat. Er was in het verleden immers al genoeg ruzie geweest.
Ze hadden nog zó hun best gedaan.
Maar nu was de Heer van de kleurkerken teruggekomen en hij had gevraagd waar zijn ene kerk was. Even was het stil geweest maar toen had de voorzitter van de Beige tot Bruine Bondskerk, namens alle kerken, toch durven wijzen op alle kleuren die voor Hem aangetreden waren. De Heer bekeek alle afzonderlijke kleuren en zweeg. Tenslotte zei hij:
‘Mijn regenboog heeft zeven kleuren. Toch is hij één in zijn verschijning. Zo heb ik ook zeven keren voor u gebeden ‘opdat zij één zijn’. Zeg mij dan, waar is mijn ene kerk?’
Op deze woorden boog de Beige tot Bruine voorzitter, namens alle kerken, zijn hoofd en verschoot van kleur...
(foto is louter als voorbeeld: dit kon ook uw voorganger zijn geweest)
zondag 21 februari 2010
Met milde haat
Ik moet toch nog even terugkomen om mijn ‘HAAT blog’ van een week geleden. Diverse reageerders vonden dat ik wel wat ver ging om het woord haat te gebruiken voor mijn aversie tegen de barre winter. Zelfs mijn eigen Purperpol vond dat ik te ver was gegaan. En zij is wel wat gewend, geloof me.
Toch had ik niets kwaads in de zin met mijn haat, al klinkt dat natuurlijk wel een beetje raar. Ik wilde dat woord namelijk louter Bijbels gebruiken. (Ja, ik weet wel hoe ik mijn criticasters de mond moet snoeren.) Haat betekent in de Bijbel namelijk gewoon ‘een afkeer hebben van’ of nog milder ‘iets minder belangrijk achten’. Jezus zelf bedoelde dat laatste toen hij sprak over het ‘haten’ van je vader en moeder. Niemand zal toch serieus menen dat Jezus oproept tot echte haat voor degenen die we, volgens de Mozaïsche wetten van welke geen tittel of jota zal vergaan, juist zouden moeten eren? Niks hoor, het is gewoon minder achten. Niks meer en eh… niks minder.
Dat mijn rechtvaardigheid het wint van uw onbarmhartig oordeel werd vanochtend duidelijk toen ik samen met mijn nageslacht voorin in de kerk zat en mijn gelijk door de dominee zelve kreeg bevestigd. Hij zei namelijk precies hetzelfde!
En wiens autoriteit gaat die van een predikant te boven? Nou?
Dat dacht ik ook!
(en nu geen ‘hatelijke’ reacties geven hoor….)
zaterdag 20 februari 2010
Niet content met contant
De kogel is door de kerk. Winkeliers willen tegenwoordig het liefst dat alle boodschappen, hoe klein dan ook, met de pinpas gaan afgerekend worden. Het was geloof ik zelfs voor het Journaal. Moesten we even geleden als straf voor het pinnen van kleine bedragen nog een soort ‘opcenten’ bijbetalen, straks kun je er donder op zeggen dat we juist moeilijk worden aangekeken als we nog met munten (‘zooo twintigste eeuws’) willen betalen.
Ik word daar om meerdere redenen niet vrolijk van.
Ten eerste omdat ik de voorthollende digitalisering van de maatschappij afkeur. Er hoeft niets mis te zijn met digitale techniek maar de manier waarop we onszelf hieraan overgeven, om niet te zeggen: uitleveren, doet me mijn hart vasthouden.
Ten tweede omdat alles in ons leven blijkbaar langs de maatstaf van de efficiëntie moet worden gelegd. Is iets niet nuttig? Weg ermee! En wanneer is iets niet nuttig? Als het geen geld oplevert! Ik ga binnenkort maar weer eens gauw wat geld opleveren anders word ik straks ook nog weg geëffectueerd….
Veel winkeliers, vooral de caissières in de supermarkten, zijn in het geniep al begonnen met een voorschotje te nemen op digitaal betalen. En wel als volgt.
In mijn jongere jaren en ook nog minder lang geleden was het gebruikelijk dat als je wisselgeld terugkreeg, dat bedrag keurig munt voor munt met hardop tellen in je hand werd gelegd. Dat nu is voorbij. Vast niet efficiënt genoeg. Kost alleen geld want tijd. Weg ermee dus. Kwak dat wisselgeld voor die muts die nog steeds zo nodig met munten wil betalen gewoon in z’n hand. Als ie ’t niet vertrouwt telt ie ’t zelf maar na. Tijd is geld maar contant geld is zonde van de tijd! Weg ermee.
Omdat ik nogal eh… onthand ben de laatste tijd zal ik het volgende plan binnenkort nog niet kunnen uitvoeren, maar ik ben echt eens van plan om de caissière van de supermarkt eens met eh… gelijke munt terug te betalen. Het bedrag dat ik moet betalen zal ik dan eerst munt voor munt uit m’n portemonnee halen en dan in één keer in haar hand kwakken. Eens kijken wat er dan gebeurt.
Oog om oog, munt om munt.
Een heer van stand laat niet zomaar met zich sollen!
Wat jij, jonge vriend?
donderdag 18 februari 2010
De Grijze Jager
Luuk leest.
Omdat het goed voor hem is.
Omdat zijn vader recensent is.
En soms omdat hij een steengoed boek heeft.
Zoals nu. Dat door hem steengoed gevonden boek heet De Grijze Jager en is geschreven door een Australische vader die zijn twaalfjarige zoon aan het lezen wilde krijgen en daarbij vooral duidelijk wilde maken dat lezen leuk kan zijn en dat helden niet altijd groot en gespierd hoeven te zijn. Aan wie doet me dat toch denken? Aan onze eigen gespierde spijker natuurlijk! Luuk zelf.
Luuk leest.
Dat doet hij gewoontegetrouw in bed voor het slapen gaan. Maar als De Grijze Jager in huis is leest Luuk overal. Nee, dat is niet waar. Dan leest Luuk dat boek voor de warme kachel in de tijden dat hij niet naar school hoeft, huiswerk moet maken of moet afwassen. Zelfs veel tv-programma’s en zélfs de computer zijn buiten zijn gezichtsveld geraakt. Hij heeft zijn snufferd namelijk de hele tijd in dat boek. In de afgelopen kerstvakantie is hij begonnen met de hele serie en is daarbij tot deel 6 gekomen. Deel 7 is inmiddels ook verslonden en nu heeft hij deel 8 bijna ook al uit.
Maar deel 8 is nog helemaal niet verschenen! Hoe kan dat?
Dat kan wegens vaders nevenactiviteit als recensent. Zo is het boek eerder in huize Pol bezorgd dan in de winkel. Luuk moet wel even gniffelen als hij dat van mij hoort, maar meer ook niet. Deel 8 is namelijk nog niet uit. Nóg niet. Al scheelt het weinig. Dus zal er gelezen worden. Tot aan de achterflap. En daar is ie al bijna. Vanavond zal hij wel weer achter de computer zitten.
Niet erg want dan kan Elias beginnen met deel 8, want van je grote broer moet het maar hebben. Die heeft Luukie namelijk gek gemaakt op deze jager. Je kunt slechtere voorbeelden hebben…
woensdag 17 februari 2010
COLUMN 2: UIT DE MOND DER KINDEREN....
UIT DE MOND VAN KINDEREN…
We zaten aan de eettafel en zongen tot slot nog het lied ‘Jozef zoekt zijn grote broers’. Een eindje op weg in het lied zingt Elias: “Jozef wordt als worst vereerd…”
Purperpol en ik hebben de gewoonte gehad om alle leuke kinderuitspraken op schrift vast te leggen en een aantal daarvan, de meest ‘christelijke’, volgen hieronder.
Wie bekend is met de inmiddels klassieke kinderliedjes van Elly en Rikkert Zuiderveld weet de volgende gezongen versregels wel op waarde te schatten:
“Jezus, Jezus, buig U voor mijn troon…”.
Of deze:
“Tot zeven maal zeventig maal, geef ik een ander de schuld…”
Me dunkt: een koud staaltje van het spreekwoord Het leven is sterker dan de leer….
En dan is er ook nog het alom bekende Jericho-lied. Vanuit de wc hoorden we het volgende geluid: “Jerichooo, Jerichooo, mama kom, ik heb gepoept, dat zie je zooo!”
Toen we het lied “Mijn God is zo groot” uitgezongen hadden vroeg Elias: ‘Waarom slaat Hij je dan?’ Bij navraag bleek dat hij de versregel “Hij slaat Z’n arm om je heen”, zich wat al te plastisch had voorgesteld.
Maar zo kan de taal van alledag ook doorspekt zijn van bijbelse terminologie: “Papa’s gitaar hangt aan een nieuwe opstanding.” Of deze: “Ik ben de winnaar en jij was de verlorenaar.” En toen Luuk eens opgetild wilde worden vroeg hij: “Wil je mij opdragen?” Maar zo rond Pasen konden de zaken ook danig uit de hand lopen; als Luuk (toen 3) een z’n zin niet kreeg voegde hij zijn broer toe: “Anders word jij gekruisigd!”
De dood is een onderwerp van diepere gedachten in een kinderziel. We vertelden Elias dat ook kinderen dood kunnen gaan maar dat de meeste kinderen natuurlijk blijven leven. Terwijl we op de fiets twee oudjes passeren zei hij: “Ik ga nog lang niet dood. Dat weet ik zeker. Ik denk dat, omdat ik aan de dood van grootoma denk. Sómmige kinderen gaan al dood, maar ik ben een meeste-kind.” Grootoma werd kort na haar overlijden overigens doodoma genoemd…
En nu we toch over kinderangsten schrijven: vaak baden we, in algemene termen, met de kinderen voor een goede nachtrust, zonder gevaar. Dat sprak Elias bijzonder aan en inspireerde hem het volgende, in zeer concrete terminologie, aan ons gebed toe te voegen: “En als ze tóch komen, dat ze dan mis schieten.” Een andere keer bad hij of het gevaar thuis kan blijven. Sindsdien vragen wij ons af waar het gevaar dan wel woont…
In een christelijke zomervakantieweek hoorden we van de clubjuf dat Luuk, na een prachtig bijbelverhaal aangehoord te hebben, spontaan uitriep:
‘Maar ik wíl helemaal niet naar de hemel!’
Sinds die dag geloven wij niet meer in predestinatie…
Abonneren op:
Posts (Atom)








