Gisteren blogde ik al dat ik voor het geld van mijn vakantiebaantje bij de PTT een heuse B&O bandrecorder kocht. Vandaag meer over bandrecorders en deze Heer van Stand: een combinatie die slecht viel in de jaren '70.
Toen ik een jaar of 16 was kocht ik na lang sparen en hard werken in de V&D een Akai spoelendeck. Zo noemde de echte kenner een bandrecorder in die tijd. Maar die Akai daar was wat mee. Keer op keer viel er een kanaal uit. Niet leuk meer nee. Er zat wel garantie op het apparaat, maar dat betekende in mijn geval dat ik met het zware geval achter op de fiets twee kilometer lopend naar de winkel terugmoest en dan weken en weken lang moest wachten totdat de reparatie eindelijk gedaan was. Niet dat die had geholpen trouwens. Ik weet nog dat ik totaal drie van die krengen heb versleten en telkens was het weer mis. Gek werd ik van dat ding. Ten einde raad heb ik toen besloten om nooit, maar dan ook nooit meer iets van Akai te kopen. Die belofte doe ik nog immer stand. Zodra ik de naam Akai zie, denk ik: 'bandrecorders!' en weet ik weer genoeg.
Nee, het werd tijd voor het echte werk. Wat dacht je van een heuse spoelendeck van het befaamde Bang & Olufsen. Toen al een topmerk, zeker als het ging om design. Met de Beocord 2000 als een worst voor mijn begerige ogen heb ik wekenlang de straten van Velp bij Arnhem onveilig gemaakt en daar de post wat rondgestrooid. De meeste brieven bereikten hun bestemming dus men mocht aldaar niet klagen. Van mijn goeie geld kon ik bij de B&O-dealer, die ook al in Velp was gezeteld, die prachtmachine gaan halen.
En vanaf dat moment was het dus: genieten. Not! Zelfs bij dit onvolprezen topmerk haperde de muziek en vielen net iets te vaak de hoge tonen weg. Zou het soms aan de artiesten hebben gelegen? U denkt natuurlijk van ja, maar het was gelukkig toch nee. Vele jaren later, toen ik, gefrustreerd bij het leven en met inmiddels gemakeerde oren, dit ding al lang had verkocht aan een vriend van mijn broer hoorde ik wat er nu precies mis mee was. De tape raakte de koppen niet goed en daardoor ontbraken er essentiële noten aan het geheel. En zelfs bij fijnbesnaarde musici als The Rolling Stones en consorten viel dat op.
Na het nog een jaartje of wat te hebben aangezien ben ik uiteindelijk gezwicht voor en bekeerd tot de cassettedeck, waarvoor de echte hifi-snobs in die tijd nog lang hun neus ophaalden. Ik heb er tot op de huidige dag nog steeds plezier van...
donderdag 29 april 2010
woensdag 28 april 2010
Vakantiebaantje nr. 2
Gisteren blogde ik wat over mijn eerste vakantiebaantje. Sinds dat bericht werd geplaatst stroomden de verzoeken binnen in mijn wensdromen om een blog te schrijven over mijn tweede vakantiebaantje. Terecht natuurlijk. Die was namelijk nóg spectaculairder dan de eerste en daar is het u allemaal om begonnen. Spektakel: het liefst groots en meeslepend, zoals u zelf eigenlijk ook zou willen leven als u dat durfde. Maar ja, u durft niet en daarom moet ik het maar doen. In mijn dromen dus. Dat dan weer wel ja.
Maar dat vakantiebaantje. Twee jaar na dat eerste debacle stond ik, na het voltooien van dit keer de HAVO (ik werd er met het jaar knapper op dames), opnieuw voor de keuze: vier maanden lang rondlummelen of toch maar iets nuttigs doen voor een bescheiden bommetje duiten. Ik koos voor het laatste. Dit keer ging ik mij nuttig maken voor tante Pos die toen nog gewoon PTT mocht heten. Putje graven, Tentje bouwen, Tukkie doen. Die afkorting was toen populair. En niet helemaal ten onrechte. Maar werken als postbode verdiende een stuk beter dan werken als verkoopassistent in de V&D. Ik geloof dat ik meer dan 100 gulden per week mocht opstrijken. En dat was toen een flink bedrag voor een 18-jarige hoor (momenteel ben ik 18-harig...).
Maar hoe ging het dan? Nou, beroerd. Ten eerste moest je voor dag en dauw opstaan: ik geloof dat je geacht werd rond een uur of zeven te verschijnen. Moest je net mij toen hebben: ik sliep tijdens vakanties normaliter een gat in de dag en dit natuurlijke puberale ritme werd dus wreed verstoord door mijn tijdelijke werkgever. Na een uur of wat sorteerwerk ging ik met vele anderen klokslag 9.00 uur de hort op: post bestellen, zoals dat toen nog heette. Ik had 's ochtends een andere wijk dan 's middags weet ik nog, want tante Pos kwam in 1975 nog twee keer per dag de brieven rondbrengen. Geloof je niet, hè? Maar heus.
In die weken was het, net als in 1973 tijdens mijn V&Dweken, bloedheet. Zo heet dat we zelfs een uur eerder 'mochten' beginnen. O, wat moest ik dankbaar zijn geweest. Nóg eerder uit bed... net wat ik nodig had.
Aanvankelijk dacht ik nog alle post te kunnen bezorgen op de oude (superhippe) omafiets van mijn bloedeigen moeder uit pakweg 1937 (de fiets, niet mijn moeder), maar die begaf het spontaan na de eerste dag. Erger was dat ik op een die warme dagen ergens buiten mijn post stond te pakken uit een van de fietstassen en opeens een hondengebit in mijn strakke derrière voelde staan. Een herder was door een openstaand raam gesprongen om mij eens flink de waarheid toe te bijten.
Daar was ik niet heel blij mee. Maar eigenaren van dit monster waren dat ook niet. Zij durfden mij een slechte bezorging te verwijten. Natuurlijk hadden ze gelijk, maar daar gaat het hier niet om. Om een langer verhaal korter te maken: het draaide er op uit dat deze mensen een postbus namen.
Sindsdien heb ik een bloedhekel gekregen aan alles wat blaft en bijt en schijt. En ongevraagd in je kruis duikt. Ik bedoel maar. Zo'n hond komt daar gewoon mee weg mensen, maar wat als ik dat eens zou doen bij een wildvreemde? Ik bedoel dus maar.
Na de zomer van 1975 heb ik nooit meer zo'n hondenbaan gehad. Wel kocht ik een peperdure Bang & Olufsen bandrecorder van mijn zuur verdiende geld. Opnieuw was ik de koning te rijk.
Maar dat vakantiebaantje. Twee jaar na dat eerste debacle stond ik, na het voltooien van dit keer de HAVO (ik werd er met het jaar knapper op dames), opnieuw voor de keuze: vier maanden lang rondlummelen of toch maar iets nuttigs doen voor een bescheiden bommetje duiten. Ik koos voor het laatste. Dit keer ging ik mij nuttig maken voor tante Pos die toen nog gewoon PTT mocht heten. Putje graven, Tentje bouwen, Tukkie doen. Die afkorting was toen populair. En niet helemaal ten onrechte. Maar werken als postbode verdiende een stuk beter dan werken als verkoopassistent in de V&D. Ik geloof dat ik meer dan 100 gulden per week mocht opstrijken. En dat was toen een flink bedrag voor een 18-jarige hoor (momenteel ben ik 18-harig...).
Maar hoe ging het dan? Nou, beroerd. Ten eerste moest je voor dag en dauw opstaan: ik geloof dat je geacht werd rond een uur of zeven te verschijnen. Moest je net mij toen hebben: ik sliep tijdens vakanties normaliter een gat in de dag en dit natuurlijke puberale ritme werd dus wreed verstoord door mijn tijdelijke werkgever. Na een uur of wat sorteerwerk ging ik met vele anderen klokslag 9.00 uur de hort op: post bestellen, zoals dat toen nog heette. Ik had 's ochtends een andere wijk dan 's middags weet ik nog, want tante Pos kwam in 1975 nog twee keer per dag de brieven rondbrengen. Geloof je niet, hè? Maar heus.
In die weken was het, net als in 1973 tijdens mijn V&Dweken, bloedheet. Zo heet dat we zelfs een uur eerder 'mochten' beginnen. O, wat moest ik dankbaar zijn geweest. Nóg eerder uit bed... net wat ik nodig had.
Aanvankelijk dacht ik nog alle post te kunnen bezorgen op de oude (superhippe) omafiets van mijn bloedeigen moeder uit pakweg 1937 (de fiets, niet mijn moeder), maar die begaf het spontaan na de eerste dag. Erger was dat ik op een die warme dagen ergens buiten mijn post stond te pakken uit een van de fietstassen en opeens een hondengebit in mijn strakke derrière voelde staan. Een herder was door een openstaand raam gesprongen om mij eens flink de waarheid toe te bijten.
Daar was ik niet heel blij mee. Maar eigenaren van dit monster waren dat ook niet. Zij durfden mij een slechte bezorging te verwijten. Natuurlijk hadden ze gelijk, maar daar gaat het hier niet om. Om een langer verhaal korter te maken: het draaide er op uit dat deze mensen een postbus namen.
Sindsdien heb ik een bloedhekel gekregen aan alles wat blaft en bijt en schijt. En ongevraagd in je kruis duikt. Ik bedoel maar. Zo'n hond komt daar gewoon mee weg mensen, maar wat als ik dat eens zou doen bij een wildvreemde? Ik bedoel dus maar.
Na de zomer van 1975 heb ik nooit meer zo'n hondenbaan gehad. Wel kocht ik een peperdure Bang & Olufsen bandrecorder van mijn zuur verdiende geld. Opnieuw was ik de koning te rijk.
dinsdag 27 april 2010
Vakantiebaantje
Vanmorgen las ik in de krant dat Jelle Brandt Corstius 'het leukste vakantiebaantje' van Nederland krijgt: hij gaat Zomergasten presenteren. Als u niet weet welk televisieprogramma dat is, mag u zich eventjes gepast gaan schamen. Ik ga dat ook verder niet uitleggen, dat is te gênant voor woorden. Jelle somde in zijn column alle vakantiebaantjes op die hij in de loop van zijn jeugd had gedaan. Leuk om te lezen. Ikzelf heb mij slechts twee keer bezondigd aan zoiets. De eerste keer was ik 16 en net klaar met de MAVO. Voordat ik kon beginnen met de HAVO gaapte een gat van bijna vier maanden zomervakantie en zelfs een luie donder als ik vond dat te gortig worden. Bovendien was wat geld ook wel welkom. Ik monsterde aan bij het schip dat nu nog steeds vaart en afgekort V&D heet. Diverse jaargenoten van mijn school zaten ook in de wachtruimte van de personeelschef en we werden allemaal aangenomen voor een duizelingwekkend hoge wedde van 65 gulden per week. Vervolgens kregen we te horen op welke afdeling we zouden worden ingezet. Dat werd voor mij de keukenafdeling, ik ben altijd al een bofkont geweest. De keukenafdeling was op de parterre gelegen en dat kwam goed uit want tijdens deze drie keukenweken vielen de mussen uit de dakgoot. Het was onafgebroken prachtig weer. Dat had als gevolg dat er natuurlijk geen kip (excuses le mot, dames) langs kwam daar. Laat staan een haan. Ik verveelde me kortom te pletter. Het enige dat ik zelf daadwerkelijk een paar keer heb verkocht waren een paar strijkplankovertrekken. Ik weet nu nog dat ik met die 3 x 65 gulden meer verdiende dan omzet heb gemaakt in die drie weken.
Mijn leidinggevende was een man van ergens achter in de vijftig die met lede ogen aanzag hoe ik daar mijn neus zat leeg te eten (of meer nog mijn puistjes zat uit te knijpen). Op een dag had hij een paar brieven die op een andere afdeling bezorgd moesten worden. Hij liet die brieven telkens door mij per stuk bezorgen. Dan had ik weer even wat te doen. Aardige man verder. Toen de drie weken om waren sloeg van weeromstuit ook het weer om: het regende als nooit tevoren. Ik voelde mij de koning te rijk.
maandag 26 april 2010
26 april 1957
Nou ja zeg.
Ik moet een hele beroerde nacht gehad hebben.
Want toen ik vanmorgen opstond, voelde ik me wel een jaar ouder.
Da's toch beroerd, nietwaar?
Of niet soms?
Ik moet een hele beroerde nacht gehad hebben.
Want toen ik vanmorgen opstond, voelde ik me wel een jaar ouder.
Da's toch beroerd, nietwaar?
Of niet soms?
zondag 25 april 2010
Bob Dylan
Ach ja, het moest er toch maar een keer van komen. Iedereen die mij een beetje kent, weet van mijn Bob Dylantic. Een fan wil ik mijzelf niet eens noemen, want fan betekent een fanatic en dat lijkt te veel op lunatic. Dylan is ook geen idool van mij, want een idool is een afgod en daar houd ik mij het liefst verre van.
Maar toegegeven: ik ben wel gek op Dylan.
Om dat uit te leggen heb ik altijd wel even wat tijd nodig. Want wat is het nu precies wat zijn muziek, zijn songs, zijn stem, zijn persoon zo aantrekkelijk maken? Het is toch het totaalplaatje dat het hem doet. Zijn songs zijn poëzie zodra hij ze zelf zingt, of krast zoals sommigen niet geheel ten onrechte beweren. Wie beweert dat Dylan niet kan zingen heeft technisch gesproken het gelijk aan zijn kant. Maar reclamespreuk uit de jaren zestig die zijn platenlabel verzon "Nobody sings Dylan like Dylan" is ook erg waar. Niemand kan deze songs zo raspen als Dylan zelf. En dat heeft wat. Meer dan de zoveelste gladde, zoetgevooisde stem en dito procductie. Geef mij maar Dylan. Lekker rauw, lekker ongepolijst, recht voor z'n raap, maar dan wel verpakt in metaforen, hyperbolen en wat dies meer zij.
Bruce Springsteen zei ooit over hem: Dylan heeft de popmuziek hersens gegeven. Dat klopt. Voordat Dylan 'elektrisch ging' en in de hitparade kwam was popmuziek een kwestie van: I love you, do you love me too? Louter liefdesliederen en aanverwanten werden er toen gemaakt. Geen wonder dat de fans van het eerste uur Dylan als een 'sell-out' zagen toen hij elektrisch versterkte muziek ging maken vanaf 1965. Dat was voor teenyboppers en dus niet voor de serieuze muziekliefhebber. Maar Dylan was en is wars van conventies. Hij gaat zijn eigen, ongekende gang. De ene keer transformeert hij van folkie tot rockidool, de volgende keer, midden in de hippie hoogtijdagen tot sobere countryman, en later weer tot gelovig en getuigend christen. Telkens zingt Dylan over wat er in zijn leven gaande is en mogen de fans zelf zien wat ze ermee doen. Take it or leave it.
Als je je zo opstelt maak je best veel vijanden. Die had Dylan bij de vleet. Mensen die vonden dat hij folk moest blijven spelen, mensen die vonden dat hij hippie moest blijven, mensen die vonden dat hij het niet kon maken om christen te worden.
In de jaren tachtig was Dylan door velen afgeschreven als een 'has-been'. En inderdaad had hij in die tijd last van een writersblock. Toch kwam hij terug en is Dylan nu al weer ruim 10 jaar helemaal hot. Zijn laatste cd kwam zelfs op nr. 1 in de album top 100 in de VS. En niet alleen daar.
En wat doet Dylan? Hij brengt doodleuk een kerstcd uit. Nooit gedacht door niemand.
Hij blijft onnavolgbaar....
maandag 19 april 2010
't Kofschip
Zelfs het beste paard laat wel eens een steekje vallen en zelfs de beste breister struikelt wel eens. Zo dus ook een Heer van Stand.
In mijn voorvorige blogje repte ik van het voltooid deelwoord 'geblogt'. Ik was in de vooronderstelling dat je 'ik blogte' zou zeggen, maar mijn onvolprezen Purperpol wees mij in de richting van 't kofschip. Niet voor het eerst overigens. Sommige zaken kan ik blijkbaar maar niet onthouden. 't Kofschip (of 't fokschaap) is het ezelsbruggetje om te kunnen bepalen of een zwak werkwoord in de verleden tijd een d of een t krijgt.
Het is eigenlijk heel simpel: je neemt de stam van een zwak werkwoord, bijvoorbeeld: ik werk. Omdat de laatste letter daarvan in 't kofschip/fokschaap (haal die klinkers er even uit voordat je begint...) voorkomt moet daar een t komen in de verleden tijd. Neem een werkwoord als: ik dwaal, dan is de laatste letter er een die niet in 't kofschip voor komt en dus moet daar een d komen.
Ik dwaalde dus in mijn voorvorige blogje met een t. Maar heb toen taaltechnisch niet geheel foutloos geblogd met een d.
Ik loop als een soort stagiair sinds enkele maanden mee met taallessen voor allochtonen. Ook zij moeten gaan geloven aan 't kofschip dan wel 't fokschaap. Maar de docent aldaar heeft een Engels equivalent gevonden voor deze voor hen moeilijk te onthouden ezelsbruggetjes: softketchup! Dat is weliswaar met dubbel t en dus minder mooi gevonden, maar het werkt wel. Zachte ketchup voor zwakke werkwoorden met een t.
Zo wordt taal zeg maar helemaal mijn ding...
zaterdag 17 april 2010
paaseitjes!
We schrijven zaterdag 17 april en wij Pollen eten nog steeds paaseitjes.
Dat wordt wel eens vreemd gevonden, merken wij.
Men redeneert dan:
Paaseitjes? Nu nog?
Ja, nu nog. Trouwens: hoezo nu nog? Het is toch net Pasen geweest?
Ja daarom juist. Het is al Pasen geweest. Waarom eet je dan nog steeds paaseitjes?
Kijk, daar zijn we bij waar de kern van het probleem ligt. Blijkbaar moet alles in Nederland tegenwoordig een maand of wat te vroeg. Dan liggen begin september de pepernoten in de supermarkten en vanaf het begin van de veertigdagentijd puilen diezelfde winkels uit van de paaseitjes. Leuk voor de mensen die in die periode willen vasten...Tegen de tijd dat het echt Pasen is geworden heeft de gemiddelde consument al weer de buik al vol van die chocolade- eieren.
En dat is tegen mijn zere been.
Daarom eet ik uit principe geen 'paaseieren' voordat het Pasen is. Niet omdat ik paaseitjes zo bij Pasen vind horen. Maar natuurlijk alleen maar om lekker dwars te liggen. Dat dan weer wel. Maar ook omdat ik mordicus tegen al die vercommercialisering en bijbehorende vervroeging van al die rimram ben.
Trouwens, direct na Tweede Paasdag liggen al die dure chocolade-eitjes voor half geld of minder in de winkel. Mijn principe wordt zodoende ook nog eens dik beloond!
Burps.
Abonneren op:
Posts (Atom)






