"Een voltallig koor, in een kerk met een nijpend tekort aan pastorale werkers, vloekt."
Zingen willen we allemaal wel, maar waarom eigenlijk? En voor wie doen we dat dan?
Mag ik u, terwijl u hierover nadenkt, meenemen naar mijn eerste column in dit blog?
HET LIEDJE VAN VERLANGEN
Ver weg in een eenzame landstreek stond al eeuwenlang een groot klooster. In dagen van weleer was er een levendige gemeenschap van broeders geweest. Maar er was veel verloren gegaan. De moderne stad met al haar geneugten trok de jonge mannen meer dan het eenvoudige leven voor God, doorgebracht in soberheid en contemplatie.
Veertien oude mannen waren er nog overgebleven. Veertien oude, breekbare stemmen van krasse oudjes die elke ochtend de mis brachten voor het statige altaar in de kapel van het klooster. Maar hun oude gebeden kwamen recht uit het hart en achter de onzuivere stemmen vol craquelé klonk een zuiver en vroom geweten.
Al zo vaak had de abt in een vurig gebed om nieuwe, jonge zielen gevraagd voor zijn te ziel togende klooster. Maar niets gebeurde.
Tot er op een zonnige lentemorgen aan de poort werd geklopt. Een jonge man, met een schrander gezicht waarin een paar heldere ogen stonden, vroeg om water, brood en onderdak. Het bleek een jonge monnik te zijn die op doorreis was naar, ja, naar wie of wat eigenlijk? Het kon de abt en zijn broeders niet zoveel schelen want ze waren zeer opgetogen over zijn komst. Hadden ze er niet veel en vaak om gebeden? En had deze jonge knaap niet de mooiste stem die ze ooit hadden gehoord? De diensten in de kapel leken wel vernieuwd als ze hem hoorden zingen. Van de weeromstuit zongen de veertien oude kelen wat zachter, zodat de jonge monnik met zijn gouden stem er nog beter boven uit klonk. Wat een verrukking!
Groot was dan ook de teleurstelling toen de jongeman de abt na een aantal heerlijke weken vertelde dat hij weer verder wilde reizen. Het was nooit zijn bedoeling geweest om te blijven steken in dit oude oord, maar bij de mannenbroeders was de wens de moeder van de gedachte geweest, en dat wreekte zich nu. Na het droeve afscheid ging de oude abt die avond op zijn knieën en bad: 'Ach Heer, nu hebt U zo'n fijne, jonge broeder op ons pad gestuurd en nu gaat hij al weer weg! Hoe kunt U dat nu doen? Heeft U dan niet gehoord hoe mooi hij voor U zong?'
En de Heer antwoordde: 'De jonge monnik heb Ik gezien, maar voor Mij horen zingen? Nee, het spijt me...’
woensdag 10 februari 2010
dinsdag 9 februari 2010
Van hutspot tot Chinees
Omdat Lydia niet kan koken vanwege haar bijna dagelijkse oververmoeidheden en ik dat ook niet kan vanwege mijn gespalkte gipspoot zijn onze zonen aan zet (lees: aan de beurt!).
Dat hebben we geweten. Maar ook: dat hebben zij geweten. Om kwart voor vijf leek het me tijd om de oudste richting keuken te bewegen.
Om kwart over zeven (twee en een half uur later!) was de afwas gedaan.
Wat er in tussentijd gebeurde?
Dit:
16.45 uur - Elias gaat aardappels schillen
17.00 uur - Elias heeft vier, nee wel vijf aardappels geschild en denkt klaar te zijn
17.01 uur - Elias gaat alle aanwezige pitten alsnog uit de vijf piepers halen (en ook alle stukjes schil die nog waren ‘vergeten’)
17.15 uur - Luuk betreedt het strijdtoneel met de opdracht: schraap twee winterpenen en snij die in plakjes.
17.16 uur - Luuk begint de eerste peen te scalperen
17.17 uur - Luuks vader grijpt (figuurlijk) in
17.18 uur - Luuk schraapt twee penen
17.30 uur - de twee penen zijn geschraapt én gesneden
17.30 uur - Elias revancheert zich en snijdt een ui – een schouwspel dat om meer dan één reden de waterlanders tevoorschijn laat komen
17.35 uur - de hutspot staat (na ruim drie kwartier noeste arbeid) op het vuur!
17.45 uur - de hamburgers worden door Luuk in het hete vet gelegd – vader kijkt bezorgd toe, maar als door een wonder brandt niemand zich
17.58 uur – Lydia maakt vanuit haar tenen de maaltijd snel af door een restje van eergisteren toe te voegen, samen met wat melk en het vleesvocht van de hamburgers
18.00 uur – we zitten aan tafel en eten wat in vijf kwartier heeft mogen geworden in iets meer dan vijf minuten op
18.25 uur – we verlaten de tafel en Luuk verneemt dat hij moet afwassen
19.15 uur – wij vernemen dat Luuk klaar is met de afwas
20.00 uur - Elias komt thuis en droogt de vaat die het gehele aanrecht beslaat af en ruimt die op
20.10 uur – de ouders van Elias en Luuk besluiten morgen tot afhaalchinees of beter nog bezorgpizza….
COLUMN IN BLOGVORM
Al heel wat jaren schrijft deze heer van stand een column in een blad dat zo verschrikkelijk christelijk is dat slecht enkele uitverkorenen dat mogen lezen (vele geroepenen ontgoocheld achterlatend). Het blad heeft een beperkte oplage omdat het nadrukkelijk niet is bedoeld als glossy magazine of omgekeerd evenredig daaraan als krantenpapieren evangelisatietraktaat of anderszins.
Een aanzienlijk deel van de daarin door mij geschreven columns zijn van dusdanige aard dat ze de tand des tijds redelijk tot goed hebben doorstaan, en feitelijk verder ook goed verstaan kunnen worden door gewone stervelingen zoals u. Nee, mijn hoogmoed kent geen grenzen. Welnu. Dit is dus de vooraankondiging van het regelmatig verschijnen van een belegen column. Gratis. Wilt u liever verse lezen, dan verwijs ik u naar het prachtige tijdschrift AAN DE HAND (bijna gratis), dat bewust christelijk wil opvoeden en waarin ik telkens verslag doe hoe mij dat niet lukt.
Ook evangeliseer ik daarin, maar niet zoals u denkt. Ik propageer het betere kinderboek. Ik schreeuw van de daken: lees dit, lees dat. Er is zoveel troep, maar er is ook zoveel moois. Laat liggen die zooi en koop / leen / lees de parels. Wees geen zwijn en waardeer die dingen!
Dat werk dus. Noem het gerust evangelisatie, maar niettemin dat woord worden de beste boeken helaas meestal niet door christenen geschreven – het is een harde waarheid. Als dat wel zo is, ben ik er natuurlijk als de kippen bij om die graantjes op te pikken en door te geven. Eentje doen?
De Adelaar en de Koning van Arjan Wilschut (12+). Een Narnia-achtig fantasyverhaal dat mij het genre meer heeft leren waarderen. En terechte prijswinnaar van de prijs voor het beste christelijke kinderboek in 2007.
Kopen die hap!
Lezen dat blad!
En – binnenkort - volgen die column!
Zo, u blijft weer mooi van de straat…
maandag 8 februari 2010
Vanuit de lappenmand
Niks kan ik meer!
Mijn schoenveters strikken, mijn jas dichtritsen en broek dichtknopen, het zijn allemaal zaken waarbij ik hulp nodig heb sinds mijn tragische val van vorige week.
Voeg daarbij de inmiddels volkomen verboden vrucht van het autorijden of zelfs ook maar het fietsen, om nog maar te zwijgen van de gitaar die in plaats van aan de standaard voor hetzelfde geld voorlopig aan de wilgen kan worden gehangen, en u krijgt het plaatje aardig compleet.
Typen lukt me dan nog wel, maar met slechts één hand lijkt het net op het schrijven met je niet-schrijfhand: een knullige toestand.
Het huishouden, wat me als volmaakte Jan Hen verder op het lijf was geschreven, kan ik ook wel op m’n buik schrijven. Of zal ik het anders maar op het maagdelijk witte gips doen? Afwassen, afdrogen, stofzuigen, poetsen en boenen, het zijn allemaal dingen die ik niet meer kan. Ook boodschappen doen, normaliter mijn dagelijkse uitje op de fiets, moet ik overlaten aan derden. Die derden zijn dan vooralsnog mijn huisgenoten, die ieder op hun beurt ook niet staan te springen om mij eens grootmoedig te ontlasten. De een heeft een chronische ziekte en de andere(n) chronische tegenzin in bhbh. Bhbh is niet een afkorting van een dubbelloops bustehouder (even visualiseren) maar een door misvorming mijnerzijds van het bekende Bezigheden Buitenshuis Hebbende (bbhh). Bhbh moet dan maar het tegenovergestelde worden: Bezigheden Binnenshuis Hebbende.
Naar die bhbh moet ik dan nu maar naarstig op zoek voordat ik me te pletter ga vervelen. Lezen, lezen en nog eens ondertiteling op tv lezen begint namelijk al snel te vervelen. Hoewel ik een paar kwaliteitsfilms in huis heb: Magnolia (prachtige rotfilm), Festen (idem dito) en The diving bell and the butterfly (nog niet gezien) en Babel (mee bezig). Normaliter kom ik bijna om in de boeken die ik recenseer maar – zul je net zien – het is nu blijkbaar een slappe tijd: ik heb niks nieuws in huis. Daarom heb ik zojuist maar eens wat uitgevers aangeschreven (lees: gemaild) en om wat recensievoer gevraagd. Maar meestal duurt het wel even voordat ze ook daadwerkelijk zijn bezorgd. Nou ja, lopen kan ik nog wel, dus moet ik maar naar de bieb binnenkort, al zie ik al wel op tegen het dragen van de geleende boeken met één hand. Dan kunnen een paar kilometer toch heel lang worden.
O ja, nog even over mijn oproep in mijn vorige blog om letterlijk een duit in het zakje te doen als het gaat om medeleven. Die was louter schertsenderwijs bedoeld. Ik zeg dit met enige schaamte omdat ik merkte dat vooral de Vlaamse lezertjes van dit blog deze oproep serieus beoordeelden. Jullie zult wel gedacht hebben: awel zulle, het blijft toch ‘n Hollander…
Nou, dat klopt. Maar heus, ik zit echt niet te wachten op een financiële injectie. Ook niet op een echte trouwens, brrr. Ik blijf liever gezond. Maar ja, juist dat nu komt er deze dagen even niet van. Gelukkig kan ik het allemaal fijntjes van me af bloggen. Bloggende honden bijten niet, hè? Het enige wat we echt soms even nodig zullen hebben is een hulp in de huishouding. Zo eentje als hierbovenaan bijvoorbeeld. Maar eentje van vleesch & bloed is ook goed!
of heb ik misschien wat meer power nodig?
zaterdag 6 februari 2010
“Wie meent te staan…
zie toe dat hij niet valle.” Hoe wijs en waar zijn deze woorden van de apostel Paulus. Had ik maar beter naar hem geluisterd voordat ik op de (what’s in a name) Total Slide ging staan en mijn val daarna groot was, ja zeer groot. Ik deed de naam van dit fysio-achtige apparaat alle eer aan terwijl mijn eigen aardse vat ter aarde stortte. Uit stof was ik gemaakt, tussen het stof keerde ik weder. Al vond ik het daarvoor nog wat vroeg…
Maar eerst even terug naar het begin. Deze gebeurtenis schreeuwt om geuren en kleuren en ik wil u natuurlijk niets onthouden.
Zoonlief van twaalf heeft een scheve rug met daarbij een gemakzuchtige levensaard. Zulke combinaties leveren menig fysiotherapeut een mooi inkomen. Zo ook die van Luuk, die uit pure enthousiasme voor zijn vak ons een Total Slide uitleende: een soort hardplastic rails van anderhalve meter lang met daarop gliders om de voeten in te zetten, waarna je schaatsende bewegingen kunt maken. Van links naar rechts en vice versa. Luuk vond het best leuk en dus maakte ik, als liefhebbende vader, dankbaar gebruik van het leenaanbod. Ik ben veel te lief.
Thuisgekomen werd het geval pontificaal in de huiskamer geplaatst en kon Luuk zijn gang gaan. Die gang ging goed. In tegenstelling tot mijn eigen gang; die ging minder goed. Die gang werd een je reinste afgang. Zonder me te bekommeren om de voorschriften uit het erbij gevoegde boekje ging ik met één voet op één van de gliders staan. Dat was voldoende voor mijn neergang. Geheel in overeenstemming met mijn (vroegere) politieke voorkeur kapseisde ik naar links en zeeg neer. Proeft u de dramatiek die schuilgaat achter deze woorden? Dan is het goed. Want u begrijpt: ik kan natuurlijk mijn eigen leed moeilijk gaan bagatelliseren. En doet u dat ook maar liever niet, anders betalen we straks met elkaar nog meer zorgpremies. Nee: dit leed moet worden uitvergroot tot schier bovenmenselijke proporties wil ik er nog enige voordeel uit halen.
Vooralsnog was er enkel en alleen maar nadeel. Ik moest naar de huisarts. Ik moest naar het ziekenhuis. Ik moest voor een foto. Of drie. En ik moest naar de Spoedeisende Hulp, alwaar ik, enigszins conform die benaming en dankzij een hopelijk gouden tip van de dokter, een orthopeed eiste.
Niet alle eisen worden gehonoreerd op de Spoedeisende Hulp.
Ten eerste vond ik dat er, in flagrante tegenstelling tot die benaming alles behalve Spoed werd gezet achter mijn zaak. “Het is nogal druk vandaag, dus u zult wel even moeten wachten”, durfde de dienstdoende baliemedewerkster mij zelfs toe te vertrouwen. Ik heb vervolgens maar niet gevraagd waar ik dan de Spoed Ontvangende Hulp kon vinden.
Ten tweede kreeg ik slechts een assistent-orthopeed. Wat toch als een tandje minder voelde. Ik mocht van haar vernemen wat mijn huisarts al vreesde: een handwortelbeentje was gebroken. En brak mijn hart niet mee bij dat nieuws? Hoe zwaar is het leven voor de verslagenen van geest en de gebrokenen van handwortelbeentje. Wie de tere ziel van de heer van stand O.B. Bommel uit Rommeldam enigszins meebeleeft weet hoe zoiets voelt. Hoe vreselijk was dit alles!
Ik moet eerst 6 weken in het gips en als ik dan nóg niet ben genezen ga ik alsnog onder het mes. Of, al naar gelang de wijsheid van de medici, opnieuw 6 weken in het gips. Wat een keuzemogelijkheden! Zoals in: drinkt u liever thee met Hitler of toch maar gewoon weer Stalin?
Ik stop nu met dit blogbericht om u het volle gewicht van deze jobstijding mee te laten voelen. En ik dank de lezer uit het diepst van mijn verslagen hart en mijn afgematte ziel voor zijn of haar medeleven. Mocht u de begrijpelijke behoefte voelen om dit leed met mij te dragen en het zodoende te verzachten dan kunt vanaf heden een passend geldbedrag overmaken op bankrekeningnummer 3951.35.974 t.n.v. S.J. van der Pol te Ede o.v.v. Total Gift. Ik verzeker u dat alle bijdragen hun doel zullen bereiken en er werkelijks niets aan de strijkstok zal blijven hangen.
Wordt vervolgd.
woensdag 3 februari 2010
RgRlijk
Als jechtgeaajde Jottejdammej stoojt het mij in niet gejinge mate dat de oej-Hollandse j zo’n beetje is afgeschaft.
Dacht ik aanvankelijk nog dat alleen joujnaalpoes Sasha de Boej louter was aangenomen om haaj fjaaie gezichtje moest ik naajmate de tijd vojdejde constatejen dat de ene na de andeje joujnalist zich ging bedienen van de Gooise j.
Ik vind dat jaaj. Ejg jaaj zelfs. Ik stooj me ej ook mateloos aan. Ik heb zelfs de neiging om als ik andejen zo jaaj hooj pjaten zelf mee te gaan doen, in een uitejst fjikkejige poging de zaak de cojjigejen.
Zo heb ik een nichtje met de fjaaie naam Majgjiet. Vejdej een hele leuke meid natuujlijk maaj haaj uitspjaak is een jegeljechte taalgjuwel. Ik moet me dan echt bedwingen om niet op een ovejdjeven maniej mee te doen met haaj spjaakgebjek.
Maar ach, ieder vogeltje zingt zoals het gebrekt is…
maandag 1 februari 2010
Kortjakje en de lantaarnopsteker
Altijd is Kortjakje ziek,
middenin de week maar ’s zondags niet
’s Zondags gaat zij naar de kerk
Met een boek vol zilverwerk
Altijd is Kortjakje ziek,
middenin de week maar ’s zondags niet
Wie weet wie Kortjakje was? Of, om specifieker te zijn, wie weet wat zij deed?
Houdt u vast, hier volgt een schokkende mededeling:
Kortjakje was een hoer.
Ontdaan van haar kinderliedjesachtige onschuld onthult haar naam al direct de geringe lengte van haar belangrijkste kledingstuk: haar jakje (lees: haar rokje). Dat was dus nogal kort. En met dat ziek zijn viel het ook nogal mee. Ziek zijn staat hier voor: op je rug op bed liggen. Maar ja, dat was dus in feite niet meer een passende werkhouding, zal ik maar zeggen… En als afbetaling voor haar zonde zat ze blijkbaar ’s zondags in de kerk. Met dat boek vol zilverwerk. Ook dat valt nu te verklaren want haar werk betaalde goed. Misschien is het lied zelfs wel geschreven door iemand die strontjaloers was op al dat zilverwerk. Ik kan het me zo maar voorstellen.
Er bestaat zelfs een variant op dit ‘kinderlied’ dat zo schunnig is dat ik het hier niet eens durf te citeren. Het lied over Kortjakje is overigens bepaald niet het enige lied dat, toen het eeuwen geleden nog vers was gecomponeerd, aan duidelijkheid weinig overliet. U weet niet half welke gore straatliederen ons als kleuters indertijd zijn aangeleerd. Zo slaat Berend Botje’s achternaam hoogstwaarschijnlijk op zijn geslachtsdeel, waarmee het al een stuk begrijpelijker wordt waarom hij zo overhaast emigreerde naar Amerika. En zo is de ‘extended and x-rated version’ van Daar Was Laatst Een Meisje Loos (de ‘lichtmatroos’) uitgebreid met het couplet
Zij moest komen in de kajuit
Trekken matrozen, trekken matrozen,
Zij moest komen in de kajuit
Trekken matrozenkleren uit.
Geloof me: Ik verzin dit niet maar ben dit via internet en boekdrukkunst te weten gekomen.
Ik vraag me daarbij ineens af: zou dit verschijnsel doorgaan?
Ik bedoel: zullen de kleuters over tweehonderd jaar wellicht ook groepsgewijs gezellig zingen
Girl we couldn’t get much higher,
come on baby light my fire,
try to set the night on fire…
en denken dat het hier ging om pakweg een vrouwelijke lantaarnopsteker, die toegezongen werd door de plaatselijke eh… Berend Botje?
Nou, ik geloof dat ik mijn punt wel heb gemaakt. Wie nog meer viezigheid wil, moet voor zichzelf het proper aandoende liedje Twee Emmertjes Water Halen nog maar eens opzeggen en zich bedenken dat die poort en dat straatje waar doorheen gereden wordt metaforen zijn. Eén keer raden waarvoor is genoeg.
En heus: ik heb het echt niet van mijzelf hoor. Duurbetaalde antropologen hebben dit allemaal nauwkeurig onderzocht en geboekstaafd. Zelf heb ik al dertig jaar het boek “Nederlandse volksliederen oud en nieuw” van Rob Smaling in de kast staan, waarin middels liedteksten en vermakelijke illustraties het een en ander uit de eh… doeken wordt gedaan. En in 2008 verscheen het fraaie boekwerk “Midden in de week maar zondags niet”, dat ik nog niet heb gelezen maar op internet heb zien staan. Toch eens uit de bieb lenen. Het zal wel niet bij de kinderboeken staan….
Abonneren op:
Posts (Atom)












